De stad had al drie plannen geprobeerd. Elk was goed geschreven. Geen ervan was gelezen. De inwoners wantrouwden de ideeën niet, maar de taal: die hoorde ergens anders thuis.
De vierde poging begon niet met een document, maar met twee vragen die op het marktplein werden gesteld: wat zou u verdedigen, en wat zou u herbouwen? Het plan werd daarna geschreven, in het vocabulaire dat de antwoorden hadden aangereikt.
De les was niet ingewikkeld. Elk plan dat mensen als het hunne herkennen, wordt in stilte een project. Elk plan dat niet herkend kan worden, blijft een papier — geduldig, maar machteloos.
